Het Nederlands en Hattemer Volkslied

Het Wilhelmus

Het Wilhelmus is het Nederlandse volkslied. Het is inhoudelijk geschreven als een lied dat Willem van Oranje gezongen zou kunnen hebben, alhoewel er geen enkel bewijs is dat hij het daadwerkelijk gezongen heeft. Het Wilhelmus weerspiegelt Willem van Oranjes tweestrijd inzake de opstand in de Nederlanden. Enerzijds probeert hij trouw te zijn aan de Spaanse koning, anderzijds is hij boven alles trouw aan zijn geweten, dat hem voorschrijft God en het Nederlandse volk te dienen.


Het lied bestaat uit vijftien coupletten die een acrostichon vormen: de eerste letters van de vijftien coupletten vormen de naam Willem van Nassov. De v is hierin als Romeinse letter een u, en de coupletten die destijds met een s aanvingen, zou men in modern Standaard Nederlands met een z beginnen.

Het Wilhelmus werd pas in 1932 officieel geregistreerd als volkslied en vervangt sindsdien Wien Neêrlands bloed dat tot dan toe als volkslied dienst had gedaan. Er kan dus niet gezegd worden dat het Wilhelmus het oudste officiële volkslied is, omdat andere volksliederen al geruime tijd daarvoor die status hadden, ook al is het het oudste lied dat die status heeft verkregen. Als onofficieel volkslied heeft het echter wél een oude status: het werd de eeuwen door bij allerlei gelegenheden graag door het volk gezongen.

De oorspronkelijk zeer eenvoudige melodie werd in 1626 van melismatiek(klankbuigingen) voorzien, genoteerd door de Veerse schepen Adriaen Valeriu in zijn met een aantal liederen "geïllustreerde" geschiedschrijving "Nederlandtsche Gedenck-Clanck".

De tekst

Alleen het eerste en zesde couplet worden nog geregeld gezongen. Het volledige Wilhelmus luidt:

 

1. Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den Vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een prinse van Oranje
ben ik, vrij onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.


2. In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.


3. Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.


4. Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.


5. Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.

6. Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
Uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.


7. Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verrassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.


8. Als David moeste vluchten
voor Saül den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.


9. Na 't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.


10. Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

 

11. Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.


12. Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven
en heeft het niet begeerd.


13. Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.


14. Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan.


15. Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

Het Hattemer volkslied

Dit lied is gedicht door W. Coster kort voor de feesten van “Hattem 650 jaar stad” in 1949. Op alle scholen heeft Coster het toen met de kinderen ingestudeerd. De melodie is van L. Kwakkel en de muziek van K. Rouw:

 

Er ligt een stadje aan de IJssel
daar op de grens van wei en bos.
Het is omgeven nog door grachten
en muren nu begroeid met mos.


Dat stadje is ons mooie Hattem
geen echter stad, al is het klein.
Om dat uit volle borst te zingen
daar moet je Hattemer voor zijn.


Om dat uit volle borst te zingen
daar moet je Hattemer voor zijn.
Waar ergens vind je in de wereld
zo menig plek voor spel en sport.


Waar ergens kun je zo genieten
ook als je groot en ouder wordt?
Zo zeker als in heel ons leven
het moederbeeld blijft voor ons staan.


Zo zeker zal waarheen wij trekken
naar Hattem ons verlangen gaan.
Zo zeker zal waarheen wij trekken
naar Hattem ons verlangen gaan.